Dit artikel is nog (steeds) in bewerking

MISSIE UNPROFOR 1993

UNMO in DUBROVNIC, SARAJEVO en GORADE

30 nov 2009, 6 aug 2014, 20 mei 2016 

GORADE

Zicht op een vredig lijkend Gorazde.

INLEIDING

Het plan is om drie periodes te beschrijven: verblijf in Dubrovnic, Sarajevo en Gorazde.

Dit artikel over een vredesmissie zal bijgewerkt worden als er weer iets te binnen schiet. Al schrijvend en foto's bekijkend komt er van alles bovendrijven. Er werden veel foto's gemaakt en een selectie daarvan is een hele klus. Toen de auteur aangewezen werd voor de functie van VN waarnemer (United Nation Military Observer, UNMO) was hij van het plan om dagelijks een of andere vorm van dagboek bij te houden. Hij had al eerder deelgenomen aan VN vredesmacht in Libanon en vond het later jammer dat er te weinig aantekeningen gemaakt werden van de belevenissen aldaar. In Libanon werden gemiddeld twee brieven per week naar het thuisfront verzonden maar in het voormalige Yugoslavië werd dat aantal bij lange na niet gehaald. In de praktijk was hij te moe of geestelijk te leeg om tijd te nemen voor persoonlijke aantekeningen. Waarschijnlijk hebben ongemerkt de oorlogsomstandigheden toch een rol gespeeld. Uit ervaring kan hij melden dat iedere militair een "tic" of een of andere vorm van trauma overhoudt van een oorlog. Deze zogeheten post traumatische stress stoornis (PTSS) is gelukkig alleen in milde vorm aanwezig hetgeen zich hoofdzakelijk uit in een toegenomen aversie tegen onrechtvaardigheid. Zijn vader was in het voormalige Nederlands Indië gevangene van de Kempetai (Japanse Gestapo) geweest en daarna nog een keer gevangen gezet door Pemuda's in de gevangenis van Soerabaja. Uit het laatste werd hij door een heldenactie van eerste luitenant (KNIL) Jack de Boer bevrijd. Het gezin heeft doorlopend te maken gehad met de naweeën van vaders ervaringen alleen wist men toen nog niet veel van PTSS af. Deze geestelijke beschadiging die ontstaat na intensive belevenissen onder extreme omstandigheden, werd in Nederland pas omstreeks 1972 onderkend! Na zijn missies in twee oorlogen begrijpt de auteur meer van de houding, gedrag en destijds "vreemde" reacties van zijn vader.

 ENCLAVES

Hoewel voor mei 1993 beschermde enclaves omsingeld waren door Bosnische Serviërs, hielden zij stand. Gezien de mensonterende omstandigheden die naar buiten kwamen, was men bang voor een wrede inval. Daarom greep de internationale gemeenschap in en de Veiligheidsraad keurde op 6 mei 1993 unaniem resolutie 824 goed. De moslim enclaves Srebrenica, Sarajevo, Bihac, Tuzla, Gorazde en Zepa werden als "safe areas" aangemerkt. Dat betekende een vrijwaring van "gewapende aanvallen en elke andere vijandelijke handeling". De woordkeuze "vrij zouden moeten zijn (should) van-" betekent wat anders dan "vrij zullen zijn (shall) van-". De volgende resolutie 836 gaf UNPROFOR de bevoegdheid om het een en ander te ondersteunen door "alle noodzakelijke maatregelen, zoals luchtaanvallen", te ondernemen om iedere "vijandelijke aanval op de enclaves af te schrikken en te ontmoedigen". Maar de tekst werd ontdaan van de woorden "beschermen (protect) en "verdedigen" (defend) en alleen "afschrikken (deter)" werd ongemoeid gelaten. Nu komt het cruciale punt dat door de bevolking van de bedreigde gebieden, maar ook in het buitenland (zoals Nederland) niet begrepen of gerealiseerd werd: UNPROFOR mocht alleen geweld gebruiken uit zelfverdediging, niet om de enclaves te verdedigen. Het gevolg was dat Bosnische Serviërs de bepalingen van de resoluties konden laten voor wat het was. Verder voerde UNPROFOR spaarzaam tegenacties uit en legde onder andere regelmatig verzoeken voor een luchtaanval naast zich neer.

TOELATEN WAARMEMERS

Het UNMO "office" in de "PTT building" in Sarajewo. Links mijn Egyptische en rechts mijn Argentijnse collega's beiden ook eerder geplaatst in Dubrovnic.

Tegen het einde van het eerste kwartaal van 1993 kreeg UNPROFOR het eindelijk voor elkaar om militaire waarnemers in de enclave Gorazde te krijgen. De eerste twee groepen bleven elk een week in het gebied. Dat was niet praktisch en daarom onderhandelde men over een blijvende UNMO post. De laatste tijdelijke groep werd niet in zijn geheel vervangen. Elke keer werden twee waarnemers afgelost en ik was bij de eerste twee die er geplaatst werden voor een permanent verblijf.

Men was er achter gekomen dat ik ervaring had als logistiek officier en oorspronkelijk opgeleid was voor officier Verbindingsdienst. Verder wist men dat ik in Dubrovnic het een en ander gedaan had op elektrotechnische gebied. Daarom vond men mij geschikt voor een staffunctie in het PTT gebouw in Sarajewo. Daar zaten honderden VN militairen gepropt in een veel te kleine accommodatie. Omdat ik mij al 5 maanden "gevangen" zag zitten in een klein hokje (fig»), weigerde ik min of meer de functie en sprak de voorkeur uit voor een opdracht "te velde". Gezien de verbaasde gezichten komt zo'n weigering kennelijk weinig voor bij VN operaties. En passant voegde ik er aan toe dat ik mij niet zou verzetten als men waarnemers zocht voor een permanente post in Gorazde en zo geschiedde. 

 EERSTE LOCATIE

Office en onderkomen midden in het centrum.

 Onze eerste woonwerkplek was precies in het centrum van Gorazde (fig»). Als de stad met granaatvuur bestookt werd, probeerde men ons verblijf uit de vuurlijn te houden. Regelmatig vielen de granaten te dichtbij naar onze zin. Pogingen om een veiliger plek voor de post te vinden werd door de locale militaire leiding gedraineerd. Mijn indruk was dat met onze aanwezigheid in het centrum het gebied vrij van beschietingen zou blijven.

Met door ons geleverde brandstof maakt een bulldozer een doorgang om daarna de zaak weer af te sluiten.

Om de enclave binnen te komen of te verlaten moest er eerst een doorgang in beschermingswal vol met mijnen gemaakt worden. Brandstof voor de bulldozer werd door ons van onze voorraad geleverd. UNMO's gingen regelmatig uit de enclave naar Sarajevo of Visegrad. Dat was voor ophalen van: verlofgangers, goederen en brandstof voor voertuigen en het aggregaat, overleg met de UNMO staf of met Servische commandanten, patrouilles in het Servische gebied. Servische doorlaatposten controleerden steevast of de aangevoerde logistieke middelen wel in relatie stonden met ons eigen verbruik. Ze waren bang dat er ook brandstof geleverd werd aan het locale moslimleger.

 

De "backup" achter de aarden wal wachtend op terugkerende UNMO's. 

Mijn beurt om, tijdens een vreedzame periode zonder scherfvest en helm, contact te houden en de binnenkomers op te wachten.

Als een patrouille van buiten de enclave binnen zou komen werd het  altijd als backup opgewacht door twee UNMO's met hun voertuig. Zij stonden dan paraat vlak voor de nog te openen wal.

Zodra de patrouille in niemandsland was, meldden zij dat via de radio en als veiligheidsmaatregel werd hun aankomst al claxonnerend aan alle betrokkenen kenbaar gemaakt. Dan pas werd de doorgang vrij gemaakt. Het is diverse keren voorgekomen dat, ondanks overleg met de andere partij, wij met granaten bestookt werden. Weliswaar niet direct op het voertuig maar zo dichtbij dat een uit het raam bungelende arm door de kracht van de luchtdruk naar krachtig bewogen werd. Was dat imponeren, pesterij of gericht vuur?

Hier ziet u het wachten tijdens een ongevaarlijke en rustige periode: een Keniaanse en Nederlandse UNMO (= auteur) met onze mannelijke tolk. Verder twee locale militairen om mijnen tijdelijk te verwijderen en de bulldozer te bedienen. Terugkerende UNMO's werden op de route naar ons bureau altijd begroet door vriendelijk wuivende inwoners langs de weg. Voor mij was het vreemd genoeg net alsof je weer thuis kwam!

 

 

 

Eigenlijk onbewoonbaar, maar toch nog met bewoners!

Veel huizen en gebouwen waren totaal verwoest. Toen onze groep de enclave binnen mocht komen, smeulden er nog een aantal na. Tijdens de dagelijkse rondgangen te voet en met een auto werden een aantal markante beschadigde onderkomens op de gevoelige plaat vastgelegd. Van het linkse huis was niet veel meer over en toch was het nog op de begane grond bewoond. De meeste inwoners hadden, zoals hier te zien is, een bescherming tegen granaatsplinters en inslagen aangebracht. Men plaatste planken en balken schuin voor de inmiddels ruitloze ramen. De rechtse "woning" was een bouwval maar kennelijk met bewoners, want er kwam rook uit de schoorsteen. Overigens viel het op dat de meeste huizen niet beschadigd waren door gevechtshandelingen, maar door brandstichting of springmiddelen. De katholieke kerk en begraafplaats ondergingen hetzelfde lot.

Links: de eerste post bestond uit gehuurde ruimtes in een voormalig hotelletje met onze werkruimte in de gelagkamer. Het linkse witte huis van onze buurman stond pal naast de oprit van de brug. Ons verblijf had een balkon aan de achterkant.

 

De VN voertuigen op de foto's waren van een onderhoudsploeg uit Sarajevo. Het duurde veel te lang voordat zij konden en mochten komen. Onze eigen auto's waren tweedehands zonder enige reserve onderdelen zoals lampen, banden krik etc. Kleine reparaties lieten wij tegen betaling van een paar sigaretten uitvoeren door een locale garage als zij tenminste de beschikking hadden over een lichtaggregaat. De brandstof daarvoor kwam van onze eigen voorraad. De onderhoudsploeg was zo "goed" dat bij aankomst eerst hun eigen vrachtwagen gerepareerd moest worden.

Als een vervangend voertuig in Zagreb werd aangevraagd dan duurde het maanden voordat het bij ons aan kwam. Let wel als de toestemming verleend werd, was het nieuwe voertuig expliciet voor onze post bestemd. Maar wat gebeurde in het hoofdkwartier in Zagreb? De burgerambtenaar aldaar gaf zo'n nieuw exemplaar aan een burger vriendje en zijn gebruikte en vaak incomplete auto werd dan aan ons toegewezen. Met deze vorm van corruptie door burgerambtenaren in dienst van de VN heb ik zowel in Libanon als Bosnië regelmatig te maken gehad.

Wij behoorden de beschikking te hebben over gepantserde voertuigen maar hadden alleen civiele auto's van Toyota en Jeep. Van het laatste merk was slechts één exemplaar voorzien van ongeveer 5 cm pantserglas. De Franse eenheden deden hun patrouilles altijd in een klein type pantserwagen die wij eigenlijk ook moesten hebben maar niet kregen.

Alle voertuigen moesten ook voorzien zijn van behoorlijke communicatie apparatuur. Dat was er wel maar het werd elders voor iets anders gebruikt (corruptie)! Dat kwam ik pas in Zagreb te weten, tijdens mijn terugkeer naar Nederland. Andere organisaties (fig») zoals het Rode Kruis, UNHCR, Artsen zonder Grenzen etc. hadden goede radio's in hun voertuigen.

Bespreking met de locale bataljonscommandant.

 

Dagelijkse («fig) overleg met de locale moslimcommandant. Deze leider met pet, een kleurrijk figuur en in vredestijd eigenaar van een restaurant, was de eerste "militaire" commandant. Hij vluchtte niet bij het uitbreken van de oorlog maar organiseerde de verdediging van Gorazde. Bedenk dat bij het begin van de oorlog er nog geen moslimleger bestond. Toen alles wat beter liep, plaatste de regering een beroepsofficier boven hem. Ik vroeg hun wat voor rang zij hadden en kreeg altijd een ontwijkend antwoord of ze zeiden dat ze geen leger hadden. Tegen het einde van mijn missie verschenen zij plotseling in nieuwe uniformen (waar vandaan?) met rangonderscheiding tekens. De laatste waren te vergelijken met die van onze kolonel en luitenant-kolonel. De locale defensie bestond kennelijk uit een brigade met 3 bataljons gecommandeerd door respectievelijk 1 kolonel en 3 luitenant-kolonels. Qua personele sterkte leek het echter meer op een Nederlands bataljon met drie compagnieën.

 Besperking met brigade commandant (bekijkt een document) vergezeld van twee oficieren van zijn staf.

De gelagkamer diende als vergaderplaats maar ook als huiskamer en eetkamer. Vaak kwam de leiding van de Moslim brigade 's avonds binnen voor een "avondje uit". Onze voorraad blikjes bier en cola zal daar ook wel een rol bij gespeeld hebben. Boven een meeting met de brigadecommandant (bekijkt een document) en tegenover hem twee logistieke officieren van zijn staf. Rechts is hij later op de avond samen met een paar stafleden te gast en doet mee aan een spelletje kaarten met onze tolk (grijs jack) en kapitein Carlos (rechts) een UNMO uit Colombia. Links reikt Carlos ons cadeau uit aan een vertrekkende medewerker.

Carlos was een goede officier met veel gerechtservaring. Wij waren de eerste twee permanente waarnemers in Gorazde. Daarom gingen wij vaak gelijktijdig met kort verlof en reisden dan samen van en naar Sarajewo. In zijn land woedt al decennia lang een strijd tegen diverse groepen (o.a. FARC) en voor elke bevordering moet een officier ten minste één jaar actief daaraan deelnemen. Veel jaargenoten van zijn militaire academie waren inmiddels al in de strijd gesneuveld. Als pelotonscommandant lag hij 's nachts in het bos midden tussen zijn mannen en met touwen aan zijn sergeanten verbonden. Als er onraad was trokken zij eraan om hem op een stille manier te waarschuwen. Het is in dat land zo gevaarlijk dat veel militairen en hun gezin een dubbele identiteit hebben als zij zich privé verplaatsen. Als men bij een roadblock van de "vijand" merkt dat iemand een militair is van het regeringsleger, wordt hij direct aan de kant van de weg gefusilleerd. Men controleert onder andere de benen aan de onderkant van een burger broek. Aan de striemen is dan te zien of iemand laarzen aan heeft gehad! Verder moet een uniform dat versleten is, ingeleverd worden om te voorkomen dat het in verkeerde handen valt. Na zijn UNMO missie zou hij weer actief aan de strijd moeten deelnemen. Hij schijnt inmiddels luitenant kolonel te zijn. Met Google vond ik jaren later zijn email adres, maar dat bleek niet meer actief te zijn. Vermoedelijk is dat voor zijn veiligheid verwijderd.

De gelagkamer als vergaderruimte en huiskamer. Buiten stond 24 uur een politieman op wacht om ons te beschermen (of te bewaken?).

UNMO, Tolk, brigc en twee stafofficiren.

Dit (fig») was het eerste "office" in een slaapkamer met openslaande deuren naar het achterbalkon. "On duty" een verlegen lachende Keniaanse UNMO. De laptop was "geleend" van UNHCR. Dat zat zo. De vertegenwoordiger van UNHCR (een Fransman) in de enclave had geen radiocontact met zijn organisatie. Daarom werd er onverwachts een pakket afgeleverd met naar later bleek satelliet apparatuur met noodvoeding en laptop. Normaal gesproken wordt zoiets door hun techneuten geïnstalleerd, maar dat was gezien de spannende situatie niet mogelijk. Het pakket lag dus geruime tijd ongeopend op zijn kamer. Toen dat toevallig door mij opgemerkt werd, vertelde hij het hele verhaal. Omdat wij geen goede verbinding hadden met de rest van UNPROFOR, leek dit een unieke kans om over een beter systeem te beschikken. Nu bleek weer eens dat het handig is als je zendamateur bent met enige technische kennis. Ik stelde hem voor dat het systeem door mij opgezet en in ons bureau geïnstalleerd zou worden. De netspanning kwam dan van het aggregaat dat op het balkon stond. Verder kreeg hij onbeperkte toegang tot het office. Het voordeel was dat er permanent een dienstdoende officier aanwezig was om zijn inkomende berichten te ontvangen, te beoordelen en hem eventueel direct op de hoogte te stellen. Hij stemde in en zo geschiedde. Het kostte enige tijd om de apparatuur te bestuderen en begrijpen en de bijbehorende laptop aan de praat te krijgen. Toen de communicatie apparatuur werkte zou de UNHC'er met de laptop aan de gang gaan. De laaste was beveiligd met een wachtwoord, maar dat was niet met de zending meegekomenen en was ook niet te achterhalen bij de afzenders. Ook navragen hiep niet, het woord was kwijt geraakt. Wij beiden waren de enige aanwezigen met wat rudimentaire kennis van computers. Het was begin 1993 en ervaring met PC's was nog niet bij iedereen vanzelfsprekend of zelfs afwezig. Van alles geprobeerd met als eerste Gorazde, GORAZDE en daarna andere voor de hand liggende combinaties. Door onze beperkte ervaring zijn wij er dagenlang mee bezig geweest. Gelukkig kreeg de  Fransman een spontane ingeving door "gorazde" met kleine letters te typen en zowaar het ding begon te leven!

Een geschikte plaats voor de antenne met een korte coaxkabel was niet meteen gevonden. Een van de tolken («fig) met naast zich de tijdelijk opgestelde antennes voor de UNHCR apparatuur. Op de muur achter hem de sprietantenne van onze verbinding met Pale. 

Er werd door UNPROFOR (door ons dus) veel gepast misbruik gemaakt van dit UNHCR communicatiemiddel. De laatste organisatie zal zich wel eens achter het oor gekrabd hebben toen zij de rekening onder ogen kregen! Behalve voor dienstberichten was het ook een alternatief middel om bij onverwachte gebeurtenissen het thuisfront te informeren. Voor Nederland verzond ik een bericht naar de operator van het Nederlandse grondstation in Bedum met het verzoek om de tekst per fax naar mijn dienstonderdeel te versturen. Vervolgens belde iemand van de kazerne mijn echtgenote op. Bij voorbeeld om te melden dat mijn verlof voorlopig niet door kon gaan omdat er geen vliegverkeer mogelijk was van en naar Sarajevo. Mijn echtgenote zou anders tevergeefs naar Schiphol gegaan zijn om mij af te halen. Zo'n privé boodschap via de officiële weg kwam niet aan of was altijd te laat.

Een (fig») UNMO, voornaam Bohomil, uit Tsjecho-Slowakije was jarig en dat moest gevierd worden. Omdat hij van het uitslapen na een nachtdienst net wakker was , keek hij wat wazig voor zich uit. Hij kreeg een fles met inhoud uit onze voorraad en een Noor nodigde hem uit voor een dronk. Deze Tsjecho-Slowaak was een tijd mijn kamergenoot. Één van de beste officieren waar ik mee te maken heb gehad. Stabiel, betrouwbaar, onverschrokken, verantwoordelijk, kameraadschappelijk en actieve sportman. Verder in dit verslag zal hij nog een paar keer in de tekst genoemd worden.

Een («fig) latere uitbreiding van de oorspronkelijke ploeg van 5 UNMO's gefotografeerd op het balkon. Het plan was om een groep aan de Servische kant te stationeren. Dat zou veel tijd en op en neer reizen besparen, maar ondanks veel overleg met de Serven, kreeg UNPROFOR het niet voor elkaar. Daarom was er voor zoveel UNMO's eigenlijk te weinig werk in de enclave.

Achterste rij van links naar rechts: Spanjaard Joaquin Milaus del Bosch (kap), Portugees Jose Correia  (kap), Colombiaan Carlos Forero (kap) en Kenianen Samson Kambuni (maj/lcdr) en Joseph Mwew (lkol). De tweede was zeer goed, mijn opvolger en later in eigen land generaal geworden. Voorste rij van links naar rechts: Deen Peder Pedersen (maj), twee Nederlanders Frits Geerligs (maj), Stan van Bragt (kap) en een Noor Stig Skinnerland (maj).

De VN kan elke UNMO inzetten waar zij dat nodig vindt. Bij UNPROFOR deden waarnemers dienst die kort daarvoor nog ingezet waren in de omgeving van Egypte, Israël en Jordanië of in een Noord Afrikaanse land. Zij moesten halsoverkop naar Bosnië. Wij hadden onze bagage dan ook zodanig verpakt, dat een overhaaste verplaatsing een kwestie van minuten was met eventueel achterlating van persoonlijke bezittingen. Dat was wel nodig want andere UNMO ploegen moesten soms onmiddellijk vertrekken. Partijen trokken toestemming voor hun aanwezigheid plotseling in of het werd voor een groep door gevechtshandelingen te gevaarlijk om te blijven.

Als je met een paar man intensief samenwerkt onder niet alledaagse omstandigheden, dan leer je elkaar goed kennen. Dan blijkt dat je sommige collega's niet in je buurt moet hebben als het echt spannend wordt. Die kunnen beter elders ingezet worden. Anderen zijn goed maar voor hun eigen bestwil is tijdelijk een rustiger functie op zijn plaats.

Een vorige Scandinavische collega kwam ook van een Afrikaans land. Hij was overgeplaatst naar Bosnië en dat was gedeeltelijk aan hemzelf te wijten. In Afrika schoten ongeregelde troepen door zijn post en raakten de groepsleider. De dodelijk gewonde waarnemer stierf in zijn armen. Na deze missie had hij eigenlijk ten minste zes maanden in zijn vaderland moeten terugkeren om bij te komen. Omdat hij nog wat extra geld kon gebruiken om een huis te kopen, zat hij nu in Bosnië. Een grote fout van zijn defensie organisatie. Verder maakte hij zich zorgen over iets anders. In het Afrikaanse land oefenden blanke westerlingen een enorme aantrekkingskracht uit op jonge dames die openlijk aanstuurden op het delen van het bed. Hij was er wat vaag over, maar waarschijnlijk was hij onbeschermd op zo'n voorstel ingegaan en maakte zich zorgen over mogelijke HIV consequenties. Zijn belevenissen kwamen mij ter ore in een van mijn persoonlijke gesprekken met hem, omdat ik vermoedde dat er iets loos was. Ik ben niet echt deskundig op het gebied van PTSS en het oordeel van een arts leek op zijn plaats. Het lukte om mijn collega mee te krijgen voor een onder onsje met een dokter in het hospitaal. Deze medicus leek het ook beter om de officier uit de enclave terug te roepen. Mijn collega wilde dan weer wel en dan weer niet weg uit Gorazde. Op mijn advies werd hij toch maar elders op een rustiger plek geplaatst en dat deed hem goed bleek later.

 

Op deze plek schoten sluipschutters op de brug.

Ons achterbalkon met uitzicht op de beschoten brug.

Uitzicht van ons balkon aan de achterkant van het onderkomen. Toen de andere partij nog de omringende heuvels en bergen in handen had, werd deze brug voortdurend beschoten door sluipschutters. Net zoals in Sarajevo vonden veel burgers daarbij de dood. Een Engelse parlementaire delegatie die een tijd later tijdens een "veilige" periode op bezoek kwam werd rondgeleid. Zij kwamen beoordelen of een Engels bataljon in de enclave geplaatst moest worden. Op de heuvel werd getoond van waar uit sluipschutters aanlegden op de brug. Overigens vielen tijdens het bezoek toch nog enige granaten, gelukkig niet waar de Engelsen rondgeleid werden. Kennelijk was dat bedoeld om te provoceren en imponeren. In een later stadium na mijn vertrek werd inderdaad een Engels bataljon in Gorazde gelegerd.

SCHADE

Bij het winkelcentrum op het plein in het centrum werden geen zaken meer gedaan omdat ruiten, goederen en winkeliers verdwenen waren.

In de omgeving van het station was de strijd hevig en van het gebouw bleef niet veel over.

Een selectie van beschadigde gebouwen

schade3.jpg  schade4.jpg  schade6.jpg schade7.jpg schade8.jpg  schade9.jpg

 

School met verwaaid folie als vervanger voor glas. Het flatgebouw was ook nog behoorlijk bewoond.

Ook een school ontkwam niet aan beschadiging door ontploffingen dichtbij. Het glas was weliswaar provisorisch vervangen door plastic folie geverd door een VN organisatie, maar het spul houdt niet lang stand met kinderen in de buurt. Ondanks de doorluchtige toestand van het gebouw ging het onderwijs toch door met al dan niet geluidsoverlast uit het naburige leslokaal. Als ons voertuig voorbij kwam was alle aandacht op de patrouille gericht.

De privacy van bewoners was door het vele ontbreken van glas minimaal. Als je 's avonds langs de woningen of flats liep kon je letterlijk horen wat er zoal binnenshuis aan de hand was!

 

Eerder werd al verteld dat er gebrek was aan brandstof voor verwarming en het bereiden van maaltijden. Het laatste werd voor de oorlog veel met elektrische apparatuur gedaan. Waar iedereen later al die op hout of olie te stoken fornuizen vandaan heeft gehaald, is mij altijd een raadsel gebleven. Het brandbare materiaal ter plaatse was al opgesoupeerd, het openbare groen uitgedund maar nog gedeeltelijk intact en de bosrand van het dorp ontbost. Te voet of met allerlei brandstofloze transportmiddelen vervoerde men takkenbossen, boomstronken en gerooide boomstammen van hogerop in de bergen en heuvels (slepend) naar beneden om het bij de woningen op te slaan.

's Avonds gebruikte men als verlichting zelfgemaakte olielampjes. Door de walm van de rook waren vooral gordijnen grauw geworden door het langdurig  gebruik van deze verlichting.

 BESCHIETINGEN

 

Rook van ingeslagen granaten is nog vaag te zien.

In totaal waren het op dat moment 7 granaten.

Uitzicht van het achterbalkon op de rivier Drina. In de verte is rook te zien boven de plek waar zeven granaten insloegen. Dit gebied lag bijna dagelijks onder vuur en dat drie maal per dag. Militair gezien had het geen nut want het waren uitsluitend woonwijken zonder militaire objecten.

Op de foto rechtsboven ziet men nog vaag op de achtergrond een brug. Er is daar een weg parallel aan de rivier en gelegen dicht tegen de bergwand. Tijdens een patrouille in een witte jeep, getooid met een goed zichtbare wapperende blauwe VN vlag, werd mijn voertuig door een tank op de bergen links beschoten. Door flink gas te geven vlogen de granaten achter het voertuig tegen de bergwand aan. Een fietser die een paar meter achter de jeep reed, werd ernstig gewond door granaatscherven in zijn hoofd.

Maria ons manusje van alles kijkt verschrikt naar links als er granaten neer komen. Ons lichtaggregaat stond in de hoek van het balkon en het werd twee maal door mij gerepareerd. Als actieve zendamateur nam ik voor een missie altijd een behoorlijke set gereedschap mee en dat kwan toen goed van pas.

 

Dit was de schade in een gemeenschapshuis aangewezen door Jose Correia.

Deze inslagen vonden plaats in een gemeenschapshuis van Gorazde. Mijn Portugese collega wijst veelbetekenend naar een van de gaten.

Ongeveer zo (fig») stond het divanbed van een UNMO collega van een andere post. Hij lag te slapen toen er een beschieting plaats vond. Een granaat vloog rakelings over hem heen zonder hem te raken, maar behalve geschrokken en met gruis bedekt, mankeerde hij niets!

Er was geen foto direct na het gebeuren, maar later kon ik van het gat een opname zonder divan maken. De ingetekende figuur verduidelijkt de hachelijke situatie waarin hij verkeerd heeft.

De hier getoonde materiële schade viel mee omdat de granaten niet explodeerden, maar het kon ook anders, zie hieronder.

 

 

 

Een granaatinslag midden in het centrum van Gorazde ongeveer 50 m van de UNMO post. Een lokale cameraman filmt nog geen 5 minuten later het voertuig. Waarschijnlijk mij ook opgenomen, want ik sta voor de auto de foto te maken.

Nog steeds heb ik niet begrepen waarom de internationale gemeenschap het onnodig beschieten van burger doelen in Gorazde heeft toegelaten ondanks de vele rapportages van en door waarnemers.

Ondanks alle ellende en gevaar van de oorlog gaan de inwoners met mooi weer aan de Drina rivier recreëren.

 

Dit tentje werd door de jeugd druk bezocht en het was ook een hangplek geworden.

 

 

 

Behalve zwemmen of zonnebaden en 's avond langdurig met elkaar kletsen bij een walmend olielampje had de jeugd ook nog een andere plek om elkaar te ontmoeten. In het centrum was een soort café-restaurant de favoriete hangplek of men zat te zonnen op het terrasje.

 

 

 

SLACHTOFFERS

Omdat een gedeelte van het hospitaal (expres) door artillerie bestookt was, moest men met bedden, lokalen en geneeskundig materiaal behelpen.

Dit was het interieur van het lokale ziekenhuis annex hospitaal waarvan tenminste eenderde door granaattreffers verwoest was. Geen ruiten maar plastic folie in de ramen, veelal geleverd door de VN. Ook op gangen en portalen lagen de gewonden al dan niet op de grond.  Na elke beschieting gingen UNMO's naar het hospitaal om het aantal slachtoffers  aan het hoofdkwartier in Zagreb te rapporteren.

Ik vond het niet respectvol en een vorm van ramptoerisme om foto's van de slachtoffers te maken. Een buitenlandse collega heeft mij ervan overtuigd dat het als informatie noodzakelijk was en zijn foto's worden hier getoond. Achteraf gezien had ik ze ook moeten maken en dan warende beelden nog indringender geweest.

Het volgende verhaal is niet prettig en schokkend maar het was wel de harde dagelijkse realiteit in het begin van deze "vredesmissie" in de enclave. Bij een van mijn eerste patrouilles met een Tsjechische collega ontplofte in het centrum vlakbij ons een granaat midden in een groep vrouwen en kinderen. Zij hielden een picknick in een boomgaard. Wij waren er direct bij om de slachtoffers zo snel mogelijk in het voertuig te laden. Ondanks het feit dat wij alleen mochten "waarnemen", werd hulp geboden omdat er in Gorazde maar een paar auto's ter ebschikking waren of in staat waren om te rijden. Van één gewonde was niet meer te zien of het een man of vrouw was. Later bleek dat de groep bestond uit vrouwen, meisjes en kinderen. Een jongen die in een boom geklommen was, werd op de een of andere miraculeuze wijze niet geraakt door rondvliegende granaatscherven.

 

 

Hoezo "beschermde enclave", nooit wat van gemerkt!

Omdat wij in ons civiele voertuig ook gevaar liepen, werd iedereen feitelijk naar binnen gegooid om zo snel mogelijk een veilige plek te bereiken. Achteraf kan ik mij met de beste wil niet meer herinneren hoe wij alles in een sneltreinvaart geklaard hebben. Omdat er voor mij geen plaats meer was werd te voet teruggekeerd. Bij aankomst in het ziekenhuis lag een van de meisjes van ongeveer 16 jaar op een provisorische brancard vlakbij de ingang. Toen ik voorbij kwam keek zij mij met een dankbare glimlach aan. Ik knikte haar bemoedigend toe want zo op het oog leek alles in orde, maar een uur later was zij overleden. Verderop werd een ander meisjes zonder verdoving behandeld aan een grote wond. Er was een schreeuwend gebrek aan medicamenten en zonder narcose opereren  gebeurde regelmatig. Met een schaar knipte men dood weefsel uit de wondrand. Je hart draait er nog van om als je eraan denkt. Als een volwassene iets overkomt denk je: eigen schuld dikke bult, maar bij kinderen is dat andere koek. Het rechter slachtoffer heeft het helaas ook niet overleefd.

Er lag duimendik bloed op de bodem van ons voertuig, hoe krijg je dat weg? Geen stromend water en om te koken stookten de bewoners alles op wat brandbaar was zoals kranten, papier, stro, takken, meubels of kleding. Poetslappen waren er dus niet en met onze zakdoeken als spons werd zoveel mogelijk verwijderd.

Elk "incident" wordt door een UNMO groep onder de loep genomen. De boomgaard lag in een dal omzoomd door bergen zodat de artillerie van de tegenpartij het doel niet gezien kon hebben. Was het een toevalstreffer? Beschietingen vonden drie keer per dag plaats met elk 10 tot 15 granaten die nog niet op die boomgaard gericht waren geweest en daarna ook niet. Er was een sterk vermoeden dat iemand binnen de enclave het doel via een communicatiemiddel doorgeven had.

Op en dag werd op de derde verdieping de zijkant van een flatgebouw geraakt. Een hoek was weggeschoten en de brokstukken vielen op een paar kleuters die buiten aan het spelen waren. Bij ons bezoek aan het ziekenhuis droeg een man zijn ongeveer 2 jaar oude getroffen kind in zijn armen. Ze leefde wel, maar bewoog niet. Als vader had ik met hem te doen, maar bij het passeren kon ik nauwelijks voorkomen dat hij mij aanviel. Veel mensen in de enclave verweten ons dat er niets aan de beschietingen gedaan werd. Zij beseften niet dat onze taak bestond uit waarnemen, overleggen en rapporteren. Om dat agressieve gedrag in het vervolg te voorkomen werd de militaire leiding gevraagd om de bevolking nadrukkelijk te informeren over onze beperkte taak.

Granaatscherven hebben messcherpe randen en tanden waardoor lichaamsdelen letterlijk opengescheurd of weggerukt worden. Na een andere beschieting werden een paar nog hete brokstukken (fig») verzameld om later het thuisfront te laten zien en voelen hoe vreselijk zo'n verwonding kan zijn. Zelfs bij het vastpakken kan al een snijdwond ontstaan. In het ziekenhuis werden alleen scherven en splinters verwijderd als dat beslist noodzakelijk was om te overleven. Veel bewoners liepen dan ook rond met een schroothoop aan metaal in hun lichaam.

Tijdens een van mijn korte dagen verlof in Nederland werd ik thuis gebeld omdat er in Gorazde een burger zo zwaar gewond was dat het plaatselijke ziekenhuis hem niet kon helpen. Van huis uit lukte het om een helikopter te regelen voor vervoer naar een hospitaal buiten de enclave. Bij terugkomst in het gebied werd ik door zijn vader zowat plat gedrukt van dankbaarheid. Later in Nederland heb ik VN rapporten gelezen waarin beweerd werd dat het met de beschadiging van het hospitaal wel meeviel. Dat zou het moslimleger overdreven hebben om sneller hulp te kunnen verkrijgen. Hierbij kan ik verzekeren dat door het UNPROFOR commando de werkelijke toestand zwaar onderschat werd.

 

Toen wij samen een keer in Sarajevo waren om spullen op te halen werd een collega van een andere groep (in Pale) beschoten toen hij met een vrouwelijke tolk op patrouille was. De kogels vlogen via de zijkant door zijn auto. Één daarvan ging door zijn laars en een paar anderen ketsten af tegen de versnellingskolom en vervolgden hun weg via de tolk. Zulke projectielen hebben vrijwel hetzelfde verschrikkelijke effect als de zogenaamde verboden dumdum kogels. Zij raakte dan ook ernstig gewond. Het is een beetje morbide (een vorm van verwerken of afreageren) want zijn maten staken een blauwe balpen («fig) door de laars om het kogelgat te markeren.

Bij het desbetreffende VN personeel was niemand te vinden om de met bloed volgelopen auto terug te rijden om schoon gemaakt te worden. Tenslotte bood mijn Tjechische collega zich vrijwillig aan.

Niet zichtbaar op deze foto, maar ook in het plafond zitten kogelgaten.

 

De Nederlandse scherfvesten hadden aan de voor en achterkant een keramische plaat die bestand zou zijn tegen projectielen uit handvuurwapens. Dus goed voor een bescherming tegen een frontale beschieting. Onze ervaring was dat in een voertuig je onder vuur genomen werd van de zij of achterkant. De praktijk was dan ook dat de bestuurder zijn vest uittrok en links tegen het portier plaatste, de bijrijder deed hetzelfde bij het rechter portier.

Gelukkig zonder ons te raken werd in Sarajevo een keer de zijruit naast mij versplinterd. De kogel vloog voor mij langs naar het open raam aan de kant van de bestuurder, een UNMO uit Sri Lanka. Hier (fig») ziet u hoe een Noorse UNMO in Gorazde van schuin links beschoten werd. Twee kogels schampten af op zijn keramische plaat maar een paar gingen door zijn arm en kwamen in zijn borst terecht. Net als de Nederlandse types had zijn vest totaal geen bescherming aan de zijkant. Het duurde negen uur voordat hij uit de enclave geëvacueerd kon worden. Er was geen directe radio verbinding met Sarajevo opgezet. Dat ging via een UNMO post in Pale waar de dienstdoende officier tegelijkertijd naar minstens vier radio's moest luisteren, een kakofonie van lawaai. Vaak werden dan een paar zachter gezet om een lopende communicatie goed te kunnen beluisteren. Het is met de gewonde collega goed afgelopen, hij verloor gelukkig niet veel bloed, kreeg eerste hulp in het ziekenhuis van Gorazde en herstelde voor 95% in zijn vaderland.

Bij de tochten van en naar de enclave passeerden wij veel roadblocks en controleposten. Het personeel bestond vaak uit een samenraapsel van onduidelijk allooi in veelal onvolledige militaire kleding. Je wist nooit hoe zij zouden reageren op (ongewapende) waarnemers laat staan dat zij iets van hun status afwisten. Verder was hun gedrag nogal onzeker, gespannen en agressief. Er bestond groot gevaar om beschoten te worden. Daarom paste ik een diervriendelijke methode toe. Een in de natuur levend roofdier dat zich uitrekt en gaapt betekent geen gevaar. Bij een roadblock stapte ik altijd uit de auto, rekte mij uitgebreid uit en begon zichtbaar te gapen. Dat werkte geruststellend want je zag de spanning wegebben. Omdat ik niet rook werd het personeel een Haags hopje aangeboden. Bij "do you want a hopje?" keek men je vragend aan of namen zij het snoepje aarzelend in ontvangst. Meestal spraken de mannen geen woord Engels en van een Haags hopje hadden ze nog nooit gehoord. Het was een vorm van afleiding en deze aanpak werkte doeltreffend.

 

Dit (fig») blijft er over van een ongepantserd voertuig of auto als er op een tankmijn gereden wordt.

Behalve kleding in de boom zijn er van de inzittenden vrijwel geen overblijfselen meer te vinden.

Een jongere en opschepperige UNMO veranderde op slag toen hij zelf onder vuur kwam te liggen. Bij een patrouille aan de frontlijn zag de tolk dat aan de overkant de loop van een tank op hen gericht werd. Hij duwde of trok de militair naar een granaattrechter en dat was op het nippertje want het projectiel vloog net over de kuil heen. Daarna was de collega niet meer de oude. Regelmatig verliet hij een bespreking zonder iets te zeggen of ging halverwege een maaltijd van tafel en zonderde zich af.

Een blauwe helm of baret is beslist geen veilige garantie voor het leven van een onpartijdig lid van een VN vredesmacht blijkt wel!

OVERLEG

Veelvuldig overleg en coördinatie met locale militaire en civiele autoriteiten waren dagelijkse bezigheden.

Tijdens periodes zonder granaatvuur kwamen vertegenwoordigers van VN en humanitaire organisaties met toestemming van Servische zijde op bezoek. Er werd dan vergaderd over het leveren van glas, doorzichtig plastic folie en andere materiaal om gebouwen voor uitsluitend civiel gebruik op te knappen. Dat vond gewoonlijk plaats (fig») bij de burgemeester. Steeds probeerde hij een bepaald hotel voor herstel naar voren te schuiven. Voor wie en welke betalende (?) gast. Naar mijn niet uitgesproken mening was dat het minst belangrijke object. Telkens na het bezoeken van vluchtelingen ergerde ik mij aan het gebrek aan initiatief om hun verblijf en het dagelijkse leven te verbeteren. Gedurende de Japanse bezetting van Java heb ik in mijn jeugd met ouders en grootouders ook enige tijd in een opvangkamp gezeten. In mijn herinnering leken de uitzichtloze leefomstandigheden van de vluchtelingen in Gorazde daar veel op. In een grote zaal allemaal mannen, vrouwen en kinderen die niets te doen hebben. Dicht naast elkaar zittend of liggend op kleedjes en versleten tapijten met om hen heen hun schamele bezittingen. Ook nog voedsel uit een gaarkeuken.

Hete hangijzers werden in het begin altijd apart met beide partijen besproken. Daarvoor moest de enclave verlaten worden. Eerst door een strook niemandsland met een paar verlaten beschadigde huizen. Daarna door een tunnel met een tank en mitrailleurs van een Servische stelling. Als je de ingang van de tunnel naderde keek je in een donker gat en zag je de stelling bijna niet. Om het ijs te breken werd altijd uitgestapt, een praatje gemaakt en sigaretten uitgedeeld. Aan beide kanten waren er mensen die in Duitsland gewoond en gewerkt hadden en al dan niet vanwege de oorlog teruggekeerd waren. Ze spraken en verstonden meestal Duits en dat was een voordeel want de tolken waren die taal niet machtig. Zo kon men tussen neus en lippen door informatie vragen en krijgen zonder dat de omstanders begrepen waar het over ging. De tocht ging verder naar het einddoel Visegrad. In die stad waren een paar maanden eerder vrouwen en kinderen verkracht, verbrand of vermoord en in de Drina geworpen. Een paar daders zijn inmiddels daarvoor in den Haag en Bosnië aangeklaagd of veroordeeld.

Als waarnemer zie je veel militaire opstellingen die voor de andere partij van belang kan zijn, maar niemand heeft ooit een poging gedaan om aan die informatie te komen.

Deze («fig) meeting met een nieuwe Servische commandant (links) vond plaats in een redelijk net restaurant. Aanwezig waren onze tolk (fotograaf) hun vrouwelijke tolk, militairen, politie en twee UNMO's. Zoals gewoonlijk was het even wederzijds aftasten van houding en gedrag. De onvermijdelijke vraag werd weer gesteld: hoe dachten wij over de strijdende partijen in het conflict. Vrijwel iedereen probeerde te hengelen naar sympathie voor de eigen kant, maar daar kan en mag je als onpartijdige waarnemer niet aan toegeven. Met mijn standaard verhaal aan de majoor werd aangestipt dat Nederland en Yugoslavië goede betrekkingen hadden. Zelfs veel van mijn landgenoten waren in zijn land met vakantie geweest waren. Het moest hem duidelijk zijn dat er geen sprake kon zijn van enige voorkeur voor een betrokken partij. Het was een interne aangelegenheid waarbij figuurlijk gezien het gaat over een vader met drie zonen: een Serviër, een Kroaat en een Moslim. Onderling hebben zij ruzie, maar de vader houdt van zijn kinderen en kan dus geen partij kiezen. Dat antwoord viel in goede aarde bleek weer eens.

Tijdens de bijeenkomst in het "nette" restaurant werd het toilet dat beneden de begane grond lag met een bezoek vereerd. Geen elektriciteit en aardedonker maar gelukkig was een potloodzaklantaarn meegenomen. Bij het licht daarvan was te zien dat de vloer, van de trap tot aan de toiletten, bezaaid was met uitwerpselen en wc papier. Wat was ik blij dat ik de zaklamp bij mij had want laverend tussen de onfrisse obstakels werd veilig het toilet bereikt.

Als wij terug reden van het Servische gebied, was ons voertuig volgepakt met dozen levensmiddelen en andere spullen voor Servische en Moslim familieleden en vrienden in de enclave.

 

Na een tijd was het wederzijdse vertrouwen behoorlijk toegenomen. Daarom slaagden wij erin om het overleg plaats te laten vinden in niemandsland. Een geschikt locatie was een niet afgebouwd huis tussen de scheidingslijnen. Beide commandanten van de brigades zouden erbij zijn. De Servische officier werd door ons met onze VN auto opgehaald en naar deze vergaderplaats gebracht. Bij het uitstappen schoot men op het voertuig. De Servische commandant was ontstemd en verontwaardigd maar vond dat de bijeenkomst toch door moest gaan. Later werd het incident geëvalueerd en onze conclusie was dat de schoten alleen afkomstig konden zijn van het Servische gebied. Er was feitelijk op eigen troepen geschoten! Had de Servische officier dat ook al zelf vastgesteld toen het gebeurde?

Zowel in Dubrovnic, Sarajevo en Gorazde heb ik gebeurtenissen meegemaakt waarbij het bleek dat hogere commandanten van de strijdende partijen geen controle of weet hadden wat hun militairen vooraan in de frontlinie uitvoerden. Dat was niet zo onbegrijpelijk want de strijdmachten verkeerden in een staat van opbouw met een minderheid aan beroepsofficieren als leidinggevenden. Het was zoals wij dat hier in Nederland wel zeggen: een zooitje ongeregeld. Gezien de chaotische omstandigheden vraag ik mij af of je bij de gepleegde oorlogsmisdaden in Bosnië wel altijd de hoogste commandant verantwoordelijk kan stellen. Dat is het bezwaar van een rechter die totaal geen weet heeft van of ervaring met een oorlogssituatie. Eigenlijk zou een rechtscollege samengesteld moeten worden uit militairen tevens jurist van alle betrokken partijen, allen met ervaring aan het front. Dan pas kan met begrip beoordeeld worden in hoeverre iemand al dien niet correct gehandeld heeft.

Er was ook wel radiocontact tussen beide partijen en dat ontaardde regelmatig in verwensingen, scheldpartijen en andere onwelvoeglijke taal tussen beide commandanten. Maar dat was functioneel en hoofdzakelijk bedoeld voor degenen die mee konden luisteren. Wat bleek, beide leiders waren goede collega's geweest in het voormalige Yugoslavische leger. Zij hadden samen cursussen gevolgd en de kazerne waar de Servische collega nu als commandant verbleef, was de voorlaatste functie van de Moslim commandant. Als zij elkaar in niemandsland ontmoetten gaven zij cadeautjes voor de familie en werd er belangstellend geïnformeerd naar het wel en wee van de gezinnen. Ook de andere deelnemers van het overleg in niemandsland hadden altijd veel pakketten en brieven bij zich voor de andere kant. Dat was trouwens een van onze doelstellingen om beide partijen samen te brengen. Dan was men meer geneigd om humanitaire goederen over de grens toe te staan of mee te brengen.

UITWISSELEN KRIJGSGEVANGENEN

Uitwisselen van een POW. Links moest hij nog aan het daglicht wennen, want zijn blinddoek was net verwijderd. Rechts staan beide POW'ers uiterst links en rechts tegenover elkaar. De blonde dame was een vertegenwoordiger van het Rode Kruis.

Een foto van zichzelf hebben beide POW's vast nooit gezien.

Het was eigenlijk niet onze taak maar toch werden krijgsgevangenen bezocht, Rode Kruis pakketten, post en "regels voor het behandelen van krijgsgevangenen" uitgereikt. Hun verblijven waren krap met slechts een opening naar de buitenlucht ter grootte van de gleuf van een brievenbus. In een ruimte van nog geen twintig vierkante meter lagen of zaten ongeveer vijftien gevangen met alleen een kleed of mat als slaapplaats. Verder was er niets te doen. Het luchten vond ook niet al te vaak plaats door gebrek aan bewakingspersoneel of vanwege onveilige periodes. De leiding van het Rode Kruis was om politieke redenen principieel tegen het individueel uitwisselen van krijgsgevangenen. Vanwege hun belabberde opsluiting waren wij van mening dat er zoveel mogelijk geruild moest worden. Door dat te doen maakte men gemiddeld tien mensen blij. In elk gezin ten minste vijf personen.

Ter bescherming van UNMO's moet altijd gewerkt worden met twee voertuigen met ieder twee waarnemers. Het tweede voertuig dient als backup en volgt op ongeveer 100 m afstand. Dat is theorie want dat kwam bij ons zelden voor door te weinig personeel of gebrek aan voertuigen. Je was zo wie zo al drie waarnemers kwijt aan: één man aan de radio op het bureau en twee waarnemers in hun voertuig voor de doorgang in de beschermingwal. Verder was door onvoldoende kennis van het Engels niet iedereen geschikt om in crisissituaties de post te bemannen. Urgente verzoeken voor hulp of assistentie via de radio verstond of begreep men niet.

Het vertrouwen tussen beide partijen groeide nog meer met als resultaat een vergadering in Visegrad met vertegenwoordigers uit Gorazde. De Serven waren niet zo happig om een tegenbezoek aan de enclave te brengen. Op den duur kregen wij hen toch zo ver om naar Gorazde te komen. Dat was een duidelijke doorbraak in de onderhandelingen. Er zat een feestelijk tintje aan en na de bespreking zou een gezamenlijk diner volgen. Ter voorbereiding aan de ontmoeting waren in een Jeep twee waarnemers met tolk en krijgsgevangene midden in niemandsland opgesteld. Alleen reed ik verder naar de Servische doorlaatpost in de tunnel om twee militairen, tolk en krijgsgevangene op te halen. Plotseling klonken er schoten en een paniekerige UNMO, leider van het tweetal, meldde via de radio dat zij onder vuur lagen. Hij trok zich onmiddellijk terug achter de beschermingswal. Hij was dezelfde officier die al eens eerder door ingrijpen van de tolk ontkomen was aan het vuren van een tank. Daar ging mijn backup en moederziel alleen in niemandsland. Een poosje later nam de tweede UNMO, een jonge kordate Portugese officier, de leiding over omdat hij zag dat zijn collega niet meer in staat was om adequaat te handelen. De Portugees meldde mij dat hij terugkwam en een beschutte plek in niemandsland zou opzoeken. Er moest snel beslist worden en in die periode was ik leider van de groep in Gorazde. Gezien de moeite die wij gedaan hadden voor deze unieke bijeenkomst werd besloten om door te gaan. Bij de grenspost aangekomen bleek dat beide Servische militairen die mening ook deelden. Opnieuw brachten de gasten een berg aan pakketjes mee. Zonder verdere incidenten werden de gevangenen in niemandsland uitgewisseld. De vergadering in Gorazde vond plaats onder maximale beveiliging. Er werden niet veel spijkers met koppen geslagen, maar sfeer en diner waren goed. Als voorzitter van het overleg heb ik nog geprobeerd om de aanwezigen zover te krijgen dat bij elke bijeenkomst één krijgsgevangene uitgewisseld zou worden. Jammer genoeg waren de partijen nog niet zover. Vooral van Moslimzijde was er niet al te veel animo om alle krijgsgevangenen vrij te laten. Zij beschouwden hun aanwezigheid als een garantie ter voorkoming van totale vernietiging van de enclave. Een van de Servische gevangenen was van hoge afkomst of een belangrijke man. De Serven wilden hem altijd als eerste ruilen terwijl de Moslims er niets voor voelden. Zij noemden hem een oorlogsmisdadiger maar werd vermoedelijk als gijzelaar vastgehouden.

De behandeling van gevangenen aan de Servische kant was ruwer. Een paar keer haalden wij in het niemandsland een gevangene op met een gat in zijn broek ter hoogte van zijn achterwerk. Daarbij was door de lagen kleding heen zijn blanke huid te zien en de opening was beslist niet door slijtage gekomen. Zo'n man was vaak zo duf of murw dat hij niet besefte dat hij uitgewisseld werd. Eenmaal bij ons in de auto weigerden zij vaak nog een aangeboden sigaret terwijl dat een van de schaarste artikelen was in dat gebied.

Terloops werd een keer tijdens een bespreking in de enclave gezegd dat krijgsgevangenen volgens internationale regels goed behandeld dienden te worden. In onze huidige maatschappij bestond er grote kans dat een aantal jaren na de oorlog voormalige tegenstanders in dezelfde staf zouden zitten. Met andere woorden zij zouden elkaar wel eens onder andere omstandigheden tegen kunnen komen. De leiding keek mij aan met een uitdrukking van: ja, ja, dat zal wel. Ter illustratie werd het volgende verteld: uit de Tweede Wereldoorlog circuleert een verhaal dat generaal Eisenhouwer in Italië weigerde om de zich aldaar overgevende Duitse generaals een hand te geven. Jaren later zaten een paar van die generaals in dezelfde staf waar Eisenhouwer het bevel over voerde. Mijn voorspelling is uit gekomen want de internationale gemeenschap streeft naar één gemeenschappelijke defensie in Bosnië.

Er bestond in onze groep enige twijfel of er behalve de door ons bezochte barak met krijgsgevangenen er nog ergens anders een "geheim" kamp bestond in Gorzade. Gebouwen of complexen die ons verdacht voorkwamen bleken vrij van gevangenen te zijn. De autoriteiten voelden zich ongemakkelijk met onze onverwachte en onaangekondigde bezoeken. Verder was de aanwezigheid van een wapen of munitie fabriek een publiek geheim. Het bestaan ervan ontkende het militaire commando maar toch was het complex verboden gebied voor ons.

PATROUILLES

Zicht op de Gorazde, Samson Kambuni en Mehmed Culov.

Tijdens patrouilles was er goed contact met de bewoners. Vaak voelden wij ons bezwaard om bij voorbeeld de aangeboden appels of andere versnaperingen aan te nemen. Daarmee wilde men zijn dankbaarheid tonen voor onze aanwezigheid in de enclave. In het buitengebied verkenden wij plaatsen die nog nooit door vele "stadsmensen" of de tolk («fig) bezocht waren.

Op een van de tochten aan het front toonde een trotse scherpschutter mij zijn Zwitserse wapen. Dat was keurig verpakt in een soort koffer zoals men wel ziet in actiefilms. Er zaten allerlei soorten speciale ammunitie bij waaronder waarschijnlijk met kwik gevulde kogels en andere ongebruikelijke projectielen. Voor zover dat door mij te beoordelen was, bestond een gedeelte uit internationaal verboden kogels. In zijn verstevigde schuilhut kon hij door een opening ter grootte van twee maal de gleuf van een brievenbus de vijand onder vuur nemen. Bij een volgend bezoek aan dat front was hij afwezig. Toen ik ernaar vroeg vertelde men dat de vijand hem door zijn kijkgat geraakt had en dat zijn hoofd weggeschoten was. Kennelijk ook met verboden ammunitie! De sluipschutter aan de overkant lag zeker op een afstand van 800 tot 1000 m. Zo ervaren en precies was men al in de loop der tijd geworden.

Mijn opvolger Joseph Mwew (later in Kenia  brigade generaal geworden) als UNMO naast een moslim strijder.

Van een lezer ontving ik een email met de volgende strekking: "Als verzamelaar van munitie doe ik op dit moment onderzoek naar de fabricage en gebruik van kogels gevuld met kwik. Feitelijke informatie is nagenoeg niet beschikbaar en is gebaseerd op fictie uit boeken en films. Met belangstelling heb ik kennis genomen van uw waarneming. Met name uw melding van het mogelijke gebruik van met kwik gevulde kogels. Eerder bereikte mij al berichten over mogelijk toepassing in Vietnam. Hiervan heb ik geen overtuigend bewijs aangetroffen. Derhalve het verzoek om mij te informeren over uw bevindingen, gebruikte wapens, kaliber etc."

Mijn antwoord aan hem: "Het is jaren geleden gebeurd (1993) en het wapen had niet mijn belangstelling omdat mijn aandacht voornamelijk getrokken werd door de bijzondere munitie die bij het wapen aanwezig was. Bewijzen over verboden munitie zullen altijd moeilijk te achterhalen zijn en men zal het steeds ontkennen. Alleen als slachtoffers door een forensisch deskundige onderzocht zouden worden, kan vastgesteld worden of er sprake was van ongewone munitie en van wie was het schot afkomstig? Wat ik terloops gezien heb is ook niet te bewijzen want de tolk stond zeker 5 m verder en zal bij een onderzoek "van niets weten" of kan zich het voorval niet herinneren omdat hij met iemand anders in gesprek was. Bedenk dat de meeste eenheden bestonden uit bij elkaar verzamelde mannen met hun eigen wapens want elke gevechtsbereide volwassene (para militair) was welkom en nodig. Veel zo niet alle manlijke burgers in het voormalige Yugoslavië hadden één of meer vuurwapens in huis. Dat heb ik zelf vastgesteld in alle gehuurde onderkomens. Bovendien kon men, door de haastig opgezette defensie, hoogstwaarschijnlijk geen kennis hebben van het oorlogsrecht. Gezien de wreedheden en executies die werden gedaan, kunt u zich indenken dat er van controle op verboden wapentuig geen sprake was. Als zelfs militairen van "beschaafde" landen zoals US, Engeland en Denemarken zich in Irak, Afghanistan Bosnië en Cuba niet aan de Conventie van Geneve hebben gehouden en de VS het Strafhof van den Haag niet erkend heeft, dan moet u het ergste vrezen. Wat gebruiken de CIA en Special Forces bij hun geheime operaties in de diverse landen waar officieel geen oorlogssituatie bestaat? Gezien het voorgaande kunt u gevoeglijk aannemen dat er (nog steeds) verboden wapens in het spel zijn (geweest)".

 

Gastvrij onthaal in afgelegen streken rondom het dal.

Vrijwel iedereen stookte zijn eigen sterke (42%) drank van appels, peren, sinaasappels of andere beschikbare vruchten. Bij elke ontmoeting, bezoek of vergadering werd dat wel aangeboden. Het was dan een toer om op diplomatieke wijze de drank tot een minimum te beperken. Voor mij zo wie zo een opgave want normaal gesproken wordt er alleen in het weekend een glas bier of wijn genuttigd.

Tijdens tochten door het centrum kregen kinderen (fig») af en toe een lift en dan hingen de buren in een flat massaal uit de ramen om dat schouwspel goed te kunnen bekijken. Hiernaast ziet u de enige met getint pantserglas uitgeruste Jeep en dat was natuurlijk buitengewoon opwindend voor de jeugd als zij daarin mee mochten rijden.

HUMANITAIRE HULP

In onze beginperiode was bevoorrading alleen mogelijk via de lucht. Dat leek veel op een voedseldropping zoals men kent uit beelden van de Tweede Wereldoorlog. Met de brigadestaf werd een geschikt gebied voor de dropping vastgesteld en dan door ons ter goedkeuring aan het UNPROFOR commando voorgelegd. Vervolgens bepaalden zij de datum op grond van weersvoorspelling en militaire situatie. In de nacht een half uur voor de dropping werd een herkenningspunt met fakkels verlicht en dan volgde in het aardedonker het lossen van grote pallets hangend aan een parachute. Dat was niet zonder risico want in het maanloze donker hoorde je een pallet niet aankomen en verder kon je nauwelijks een hand voor ogen zien. De goederen kwamen met een behoorlijk klap op de grond terecht en zo'n projectiel geladen met zakken van 40 kilo moest je niet op je hoofd krijgen!

Het gevaar om mensen te raken was niet denkbeeldig want duizend tot vijfduizend inwoners gingen al vroeg in de avond te voet op weg naar het gebied waar zij een dropping verwachtten. Het was in de schemering een uittocht van burgers behangen met rugzakken en tassen om zoveel mogelijk mee te kunnen nemen. Dat was niet de bedoeling want de militaire leiding wilde plaats en tijd geheim houden. Dat lukte eigenlijk nooit en het gevolg was een massaal graaien van burgers in de neergekomen goederen. Het verzamelen was eigenlijk een taak van opgetrommelde militairen en de aanwezig politie was niet opgewassen tegen zo'n massa in het volledige donker. Volgens onze waarneming pikten ook criminele groepen een graantje mee. Op de terugweg zagen wij regelmatig onverlichte motorvoertuigen in het schijnsel van onze koplampen. Zij stonden langs de weg geparkeerd of waren min of meer verscholen in doodlopende zijpaden. Er waren geen militairen bij en de mensen gedroegen zich verdacht want als wij passeerden wendden zij hun gezicht af. Van wie was de vrachtwagen en hoe kwamen zij aan brandstof? Hiertegen optreden is als waarnemer onmogelijk. Het was eigenlijk een trieste situatie. Veel hoopvolle inwoners gaan te voet naar een kilometers ver gebied in de bergen waarvan niet zeker is dat daar voedsel neer komt. Als er wel hulpgoederen komen, dan volgt er een geduw en getrek om iets te pakken te krijgen. Daarna de teleurstelling als een ander bij voorbeeld een pak meel van 40 kilo heeft veroverd. De winnaar tenslotte sjouwde dat gewicht met zich mee tijdens de 10 km lange weg terug.

De militaire leiding zorgde voor verzamelen en verdelen van de hulpgoederen aan militairen, politie, ambtenaren en burgers. De eerste drie groepen werden daarbij bevoordeeld. Burgers in het hogere deel van de vallei kregen niet of met mondjesmaat de nodige voedselpakketten.

Dat kwam door een gebrek aan transportmiddelen en brandstof. Als iemand niet kon rekenen op de hulp van een fit en gezond familielid dan kwam er geen hulppakket. Dat was hemeltergend, letterlijk en figuurlijk want daarboven woonden veel bejaarde, alleenstaande mannen en vooral vrouwen. Vaak slecht ter been en wonend in kippenhokken, lege aanhangers of andere primitieve onderkomens omdat er van hun huis niets meer over was. Niemand beschikbaar om van beneden iets naar boven te brengen. Het frustrerende was dat je niet meer kon doen dan een huilende vrouw aanhoren en alles wat je aan voedsel bij je had, reserve rantsoenen, brood, etc. weggeven.

Verder waren er andere dagelijkse benodigdheden die men niet meer had: kleding, maandverband, wc papier, zeep, scheermesjes, tandpasta, suiker, zout, koffie, kaarsen, lucifers, zaklampen en batterijen. Van parachutes maakte men zelf kleding en er werd verteld dat sommige dames zelfs niet meer hadden dan één stel ondergoed. Verlichting bestond veelal uit een olielamp of een lont in een schaaltje met dierlijk vet. Als dat aangestoken werd kwam er een donkere aanslag op meubilair, behang en gordijnen. De bewoners zagen dat zelf niet meer omdat bij iedereen de roetvorming geleidelijk aangegroeid was.

Een eerdere poging om goederen naar Gorazde te brengen was in de omgeving van Visegrad mislukt. De transportleider besloot om niet verder te gaan omdat (opgetrommelde?) demonstranten de weg blokkeerden. Hij vond een verdere tocht te riskant. Beelden van burgers die transporten tegenhielden waren in Nederland in TV journaals en dagbladen te zien. Zo'n transport was veel werk voor maar vijf UNMO's. Als het dan niet doorging was dat jammer maar een enorme afknapper voor de mensen die dringend voedsel en medicamenten nodig hadden. Het zal duidelijk zijn dat de karavaan met hulpgoederen erg veel belangstelling (fig») trok van de opgetogen inwoners en vluchtelingen die massaal toegestroomd waren.

 

Het eerste trasport met hulpgoederen.

De binnenkomst en het vertrek van het eerste door Franse pantserwagens beschermde humanitaire transport dat onder leiding stond van een Russische kolonel in burger. Waarschijnlijk zijn eerste VN opdracht want hij was nerveus en kennelijk bang dat hij iets verkeerd zou doen. Het was opvallend dat sommige officieren uit het voormalige Oostblok zich ongemakkelijk voelden als zij verantwoording moesten dragen.

Om grote schade bij beschietingen te voorkomen parkeerde men de voertuigen in kleine groepen verspreid over het gebied.

Voorbereiding (Bohomil Machalaen en tolk Mehmed Culov ) op het vertrek van het hulptransport.

Het nadeel van een hulptransport was de zwarte handel. Men wist dat de bewoners een gebrek hadden aan dagelijkse benodigdheden. Daar werd misbruik van gemaakt door chauffeurs en andere deelnemers van het transport. Genoemde artikelen verwisselden voor woekerprijzen van eigenaar. Schandalig!

BEZOEKERS

Kennelijk was een bezoek aan Gorazde te gevaarlijk of te onbelangrijk voor journalisten, want tijdens mijn aanwezigheid lieten zij zich niet zien. De enige informatie uit dat gebied kwam van onze officiële rapportages aan het hoofdkwartier. Overigens vond men een tocht naar de enclave zo risicovol, dat slechts sporadisch stafleden van UNPROFOR hun gezicht lieten zien. Op een dag zouden Franse militairen ons met een bezoek vereren om de noodzaak van het plaatsen van een Franse of Engelse eenheid te onderzoeken. Franse VN'ers spreken niet altijd goed of duidelijk verstaanbaar Engels. Mijn Frans is ook niet om over naar huis te schrijven. Verstaan gaat redelijk als bij voorbeeld naar de langzaam en duidelijk sprekende Franse president Chirac wordt geluisterd. Om mij in die taal goed te kunnen uitdrukken, heb ik een verblijf van minstens een maand nodig in een Franstalige omgeving. De groep werd opgewacht aan de Servische kant van de grens en ik zette mij al schrap om de uitstappende kolonel te begroeten. Grote opluchting want hij sprak uitstekend Engels! Er waren nog twee majoors, een kapitein en een adjudant onderofficier meegekomen. De kapitein sprak mij in het Nederlands aan! Verrek zei ik verrast, hoe komt het dat een Franse officier zo goed onze taal spreekt en hoe weet je dat ik een Nederlander ben? De Nederlandse driekleur op mijn uniform had ik al een tijd eerder verwijderd omdat het teveel leek op het de roodwitblauwe van de Kroatische vlag. Op een afstand was het verschil niet te zien en regelmatig werden Nederlanders in hun uniformen aangezien voor Kroaten met alle gevaar van dien.

Tijdens een rustige periode bezocht een Engelse parlementaire delegatie de enclave om te beoordelen of de aanwezigheid van een Engels bataljon gewenst was. Links een escorte van Servische politie begeleidde de delegatie tot de grens. Rechts een eerste kennismaking met de delegatieleden.

 

Discussie over de vraag of verder gaan naar Gorazde wel of niet verantwoord was. Rechts de delegatie op een berg in de enclave luisterend naar het verslag over de situatie toen dat gebied nog door de Servische eenheden bezet was. De militair in het midden was de officier logistiek (S4) van de moslimbrigade. In die tijd droegen de locale militairen een allegaartje aan uniformen. Ook veel burgers waren gedeeltelijk in een of ander uniform gekleed zodat de status van iemand niet altijd herkenbaar was.

 

Nog meer discussies over het uitzenden van Britse militairen naar Gorazde. Danita, onze tolk, vertaalde het gesprek tussen de S4 en de Britten.

NOG MEER BELEVENISSEN

Danita Alihodzic («fig) was een van onze twee tolken in de enclave. Eigenlijk was zij veel te jong (±19) voor het riskante werk. Dat kon niet anders want van de inwoners was slechts een enkeling de Engelse taal machtig. Niet iedereen werd geschikt geacht als tolk.

De anderen zijn: Pusan Lupuljev, Stan van Bragt en Joseph Mwew.

Tijdens een korte cursus in Nederland vertelden deskundigen dat vrouwelijke tolken beter zijn omdat zij een gesprek letterlijk vertalen. Dat was ook mijn ervaring want met mannen heb ik diverse keren vastgesteld dat een belangrijk gedeelte van een vertaling niet of met een andere strekking overgebracht werd.

Het Bosanski is voor mij een taal waar je als west Europeaan geen chocola van kan maken. Maar na een poosje was soms de strekking van een gesprek te volgen. Toen de commandant met een van zijn stafofficieren in discussie was, gaf ik commentaar in het Engels. Kennelijk was door mij het onderwerp goed begrepen want zij waren enigszins onthutst met een houding van: pas op hij begint ons te verstaan!

Voor tolken moet men bewondering hebben, zij doen jarenlang levensgevaarlijk en dagenlang vermoeiend werk. Ook moeten zij om kunnen gaan met aangescherpte etnische tegenstellingen. Verder kon het uitbetalen van salaris door de VN een vertraging hebben van maanden, terwijl grote gezinnen afhankelijk waren van hun inkomsten. Bovendien was er vaak geen scherfvest en helm vacant of was hun beschermende kleding van veel minder kwaliteit dan die van ons. In Gorazde was dat geen probleem want dan werd tijdens een patrouille een vest van een UNMO geleend.

 

Vormen van huisvlijt buiten het huis om aan groene waterrad energie te komen.

Sommige bewoners waren zeer inventief bezig met het opwekken van elektrische energie. In een zijtak van de rivier de Drina bouwde men in het centrum dammen voor het aandrijven van allerlei soorten zelfgemaakte generatoren. Het was wel een rotzooi want de sloot werd ook vervuild en verstopt door weggeworpen afval. Ook van hoge flats gooide men huisafval gewoon op straat.

Ter plaatse was geen licht, gas en stromend water. Op sommige plekken pompte men op onregelmatige tijden water op. Dan liep het storm met inwoners gewapend met allerlei kunstsof kannen, gieters etc. Denk er eens over na, u woont op de zevende verdieping of nog hoger en u moet een dagelijks verbruik van water (is dus niet beschikbaar) omhoog sjouwen. Ik heb het eens bijgehouden voor een UNMO groep van 6 personen. Alleen al om het toilet door te spoelen was er per week 200 liter water nodig en toen werd er handmatig en zuinig mee omgesprongen!

Een paar beelden van de omgeving.

Stroomafwaarts werd door de jeugd een eilandje met boomstronken als recreatiepunt gebruikt.

 

 

Toen de UNMO ploeg groter werd kon er meer tijd besteed worden aan de enige vorm van recreatie: zwemmen of hardlopen. De bewoners genoten massaal van het mooie weer door te zonnen op het strand aan de oevers van de Drina. Wij gaven de voorkeur aan een stroomafwaarts gelegen stiller plekje. Daar probeerden een vast groepje jongeren hun energie kwijt te raken op een "eilandje" midden in de stroom. Soms was er ook een redelijk goed Engels sprekende jonge vrouw die hier samen met Carlos een Colombiaanse UNMO op de foto staat. Zij had diverse niet levensbedreigende granaatsplinters in haar lichaam die vooralsnog niet operatief verwijderd werden. Er waren meer bewoners als "metaaldrager" omdat door gebrek aan medicijnen en ander geneeskundig materiaal de behandelende artsen een selectieve keus moesten maken.

 

 

   

 

Diner bij kokkin thuis en een vermoeid koksmaatje Maria op drie stoelen in onze kelder (= keuken en "woonkamer").

Een VN waarnemer krijgt een dagvergoeding waarvan hij alles moet betalen zoals huisvesting, voeding, bewassing en vervoer. Normaal gesproken kan men niet rekenen op logistieke ondersteuning van enige militaire eenheid. Op doorreis kan men soms die toelage al kwijt zijn aan een overnachting in een hotel want UNMO's zijn "rijk" en daarom werden de prijzen opgeschroefd. Gebruikelijk is dat gezocht wordt naar een betaalbare huurwoning of een gelijkwaardig deel van een huis. Ieder lid legt per maand een bedrag in om de kosten te delen en soms lukt het om ook nog een kok in dienst te nemen. In Gorazde wisten wij een dame te strikken die als kok in een restaurant gewerkt had. Een locale kracht heeft het voordeel dat het inkopen van voedsel voordeliger is. Zij heeft zo haar adresjes en weet hoeveel het mag kosten. Een paar inkopende UNMO's wordt al gauw een hogere prijs in rekening gebracht. Elke keer als zij iets lekkers bereid had keek ze eerst naar mij of ik goedkeurend knikte of er iets complimenteus over zei en dan glom zij van trots. Je merkte gewoon dat ze plezier had in haar werk. Van ons kreeg ze een vergoeding die niet te vergelijken was met Nederlandse maatstaven. In de enclave was zij een van de beter betaalde burgers. De meeste inwoners met een baan, zelfs bij de overheid, moesten het zonder salaris doen. De kok wilde iets terugdoen. Daarom nodigde zij ons uit voor een echt diner bij haar thuis.

 

Maria, het manusje van alles. De was hangt buiten.

Bij ons in de keuken werkte ook Maria (± 19j») een vluchtelinge van buiten de enclave. Voor een extra individuele vergoeding deed ze nog meer klusjes: onder andere slaapkamers schoon houden, kleding wassen en herstellen. Veel UNMO's uit de Afrikaanse landen hadden geen winterkleding en slechts twee uniformen waarmee zij het een jaar of meer moesten doen! Van haar inkomsten waren ook haar moeder en broertje afhankelijk. Ze sprak geen woord Engels. Door het dagelijkse contact met ons begon ze gaandeweg de spreektaal aardig onder de knie te krijgen. Als iemand van ons een uitnodiging kreeg om 's avonds op bezoek te komen, ging zij vaak ook mee om te tolken. Alles bij elkaar konden haar bezigheden zo vermoeiend zijn dat ze overdag tijdens een rustig moment wel eens een uiltje moest knappen. Als waarnemers op verlof waren geweest namen zij altijd een cadeautje voor haar mee. Dat was dan een spijkerbroek, cosmetica of andere dingen die niet meer ter plaatse te krijgen waren. Omdat er een avondklok was mocht er niemand na zonsondergang op straat behalve waarnemers en plaatselijke politie. Als ze dan naar huis ging werd ze altijd door een van ons vergezeld of met een auto gebracht.

Het gedrag van de burgers, oorspronkelijke inwoners en mensen van buiten de enclave, was opmerkelijk. De eerste groep trok zich weinig aan van de ellende van de tweede groep. De "vreemdelingen" (een meerderheid) dachten kennelijk: ons verblijf is maar tijdelijk dus doen wij niets aan of voor het dorp. Rotzooi en huishoudelijk afval werd dan ook niet opgeruimd maar op straat of in de sloot gedeponeerd. Naar ons idee waren er 30000-35000 mensen in de enclave. Bij het invallen van de duisternis zat bijna iedereen in de schemering voor het huis of flaneerde op straat. Verder gaven bewoners informatie over de bezetting van "woonkazernes". Door beide gegevens te combineren kon een redelijke schatting gemaakt worden van het inwonertal in en buiten het centrum.

Een van de tolken vertelde mij dat twee buren, een Moslim en een Serviër, ten minste 25 jaar naast elkaar hadden gewoond. Het waren goede buren en hun gezinnen deelden lief en leed met elkaar. Opeens werden het vijanden, in de chaos bij het begin van het conflict stak de een het huis van de ander in brand. Toen hem gevraagd werd waarom hij dat gedaan had, gaf hij als antwoord: het is nu oorlog!

Door deze tegenstellingen hebben wij wel eens gedacht dat met opzet de eigen bevolking met granaten werd bestookt om internationaal meer aandacht te krijgen. De meerderheid bestond uit allochtonen! Bij het evalueren van deze indruk viel het ons op dat als wij op patrouille waren er meer en vaker granaten werden gelanceerd. Het plan om een bepaald gebied te verkennen werd vooraf met een tolk besproken en dat briefte hij of zij weer door aan het moslimleger. Op een dag werd besloten om de tolk pas in een zeer laat stadium te informeren over een komende patrouille. Het was te merken dat hij en het militaire commando er niet gelukkig mee waren. De eerste probeerde herhaaldelijk voor het vertrek te weten te komen waar de patrouille heen zou gaan. Dat alles onder het mom dat anders het moslimleger onze veiligheid niet kon garanderen. Het was opvallend dat de enclave die dag niet beschoten werd. Deze tactiek werd een aantal keren herhaald zonder dat er een eenduidige conclusie uit getrokken kon worden. Verdere pogingen werden gestaakt om onrust te voorkomen en goede relaties met autoriteiten te behouden.

Op een dag liet een jonge politieman, die de wacht voor ons verblijf hield, mij trots een nieuw pistool zien. Dat wapen was niet standaard bij de plaatselijke troepenmacht. Ik vroeg hem hoe hij eraan gekomen was. Hij antwoordde dat hij dat van een Servische vriend aan de overkant had gekregen. Zo ziet u maar hoe merkwaardig de verhoudingen waren destijds. Waar en hoe had hij de "vijand" ontmoet. Het was ons al wel bekend dat er gaten zaten in de ogenschijnlijk potdichte verdedigingsgordel.

Vrijwel iedereen van jong tot oud rookte van alles: gedroogd gras, bladeren of stro vermengd met kruidnagelen of samengesteld uit een andere vreemde combinatie. Als een bewoner op straat van ons een sigaret kreeg, stroomden er onmiddellijk omstanders op af om van de gelukkige een trekje te bietsen. Alleen van het rokertje genieten was er niet bij. Sigaretten uit een pakje waren een betaalmiddel. Een waarde van vijf mark of meer voor één sigaret was meer regel dan uitzondering. Een tolk vertelde dat de mannelijke jeugd een meisje of vrouw voor een sigaret in bed kon krijgen. Om scheve gezichten te voorkomen en onze onpartijdigheid te benadrukken spraken wij af dat sigaretten uitsluitend kleine hoeveelheden (een paar) weggegeven zouden worden. Toen wij een keer waren bezig waren om ons voertuig in de rivier te wassen, kwam een man naar mij toe en vroeg of ik sigaretten had. Sigaretten werden door de VN gerantsoeneerd en omdat ik nooit gerookt heb mochten collega's wat van mijn deel afnemen. Om bij gelegenheid een sigaret te kunnen presenteren, had ik altijd één of twee pakjes bij mij. Op mijn bevestigende antwoord, bood de inwoner 125 DM (Deutsche Mark) voor één pakje! Ik vertelde hem dat wij niets verkochten maar dat hij drie sigaretten kon krijgen. Hij werd kwaad en probeerde mij nog een paar keer op indringende wijze op andere gedachten te brengen. Door een aantal voorvallen erna heb ik later wel eens gedacht, dat het misschien een actie geweest kon zijn van een locale "inlichtingendienst" om te testen hoe betrouwbaar wij waren. Dat gevoel werd onder andere gevoed door de volgende gebeurtenis.

Behalve wat de waarnemers en tolken in circulatie brachten, was er in de enclave gebrek aan contant geld. Toch leek gros van de oorspronkelijke inwoners niet armlastig te zijn. Voor de oorlog stuurden familieleden in het buitenland regelmatig marken en andere valuta naar Bosnië. Tijdens mijn laatste korte verlof in Nederland ging de telefoon. In wat moeilijk verstaanbaar Nederlands vroeg men of ik bereid was contant geld in Marken mee terug te nemen. Op mijn vraag: hoeveel, was het antwoord, ongeveer 500 DM. Twee jonge Bosnische vluchtelingen brachten het bedrag. Wij spraken wat na over de moeilijke situatie in hun geboorteland. Zij vroegen om foto's van hun familie te maken en later mee te nemen naar Nederland. Tijdens het gesprek ging de telefoon maar nu uit Duitsland. Of er nog wat geld mee kon? Nou voorruit maar waarom niet dacht ik. De volgende dag stond er een in Duitsland wonende Bosniër voor de deur. In een plastic zak bracht hij bundeltjes geld mee met in totaal ongeveer 30000 DM. Er was een lijstje bij wie en hoeveel iemand in de enclave daarvan zou krijgen. Aan zo'n grote som geld had ik eigenlijk niet gedacht, omdat er altijd kans bestond dat (onguur) personeel van Servische doorlaatposten er (illegaal) beslag op zouden leggen. Mijn Colombiaanse collega was al eens brieven en geld in een enveloppe bij een doorlaatpost kwijt geraakt! Dat is nog een hele heisa geweest met een officieel onderzoek door Servische functionarissen. De majoor onder wiens gezag het gebied stond wist van niets en was dan ook pisnijdig. Mijn indruk was dan ook dat hij niet toneel speelde. De man uit Duitsland werd gewezen op het risico van inbeslagneming bij een roadblock. Verder begon ik niet aan een verdeling van 150 mark hier, 250 mark daar en aan een weer een ander gezin 500 mark. Hij moest maar een paar betrouwbare personen aanwijzen die elk een gedeelte zouden verspreiden onder de medeburgers. Dat was in orde maar of een vriend wachtend op het vliegveld van Zagreb er ook nog wat bij mocht doen.

Om een lang verhaal kort te maken, in Zagreb werd het bedrag aangevuld tot ongeveer 55000 DM door een in Oostenrijk wonende Bosniër. Met een zucht van verlichting werd alles, in bundeltjes over het gevechtskleding verdeeld, via Schiphol, Zagreb, Sarajevo en Pale, ongemoeid meegebracht naar Gorazde.

 

Links: één van de twee invitaties. Rechts: een barbeque bij de tolk Mehmed Culov thuis.

Aldaar de tolk (fig») meteen gevraagd om de betrouwbare mensen te laten opdraven om zo spoedig mogelijk de verantwoordelijke last kwijt te raken. Aldus geschiedde maar dat was nog niet alles. Alle geholpen gezinnen nodigden mij uit voor een feestje of avondmaaltijd. De gastvrijheid daar staat op hoger niveau dan wat wij in ons land gewend zijn. Ik zag de bui al hangen, uitgebreid eten met het beste stuk voor de gast terwijl ze het zelf niet breed hadden. Bovendien was er te weinig tijd voor en ben ik niet zo'n liefhebber van in het zonnetje zetten. De tolk moest maar rondbazuinen dat het meebrengen niets voorstelde en het gewoon een onbaatzuchtige daad geweest was. Hij heeft zeker een maand lang pogingen gedaan om mij over te halen alsnog een paar uitnodigingen te accepteren. Volgens de tolk kon je met goed fatsoen niet alles weigeren. Op zijn aandringen werden er tegen het einde van mijn missie twee invitaties aanvaard. Je voelt je een beetje opgelaten, zittend aan het hoofd van de tafel met het beste stuk vlees op een schotel. In dit geval de kop van een schaap of geit en iedereen kijkt toe als je eraan begint. Thuis wordt met mate vlees gegeten en ik ben eigenlijk een kleine eter. Met onzichtbare tegenzin aan de kop begonnen. Toen dat gelukkig weggewerkt was, kreeg je daarna een nog groter deel van het geslachte en geroosterde beest aangeboden. Was dat even afzien!

Na mijn vertrek heeft men een andere Nederlandse waarnemer gevraagd om mee te werken aan een geldtransport, maar hij weigerde. Het gerucht gaat dat een collega uit het voormalige Oostblok toen geld zou overbrengen. Van de ongeveer 75000 DM is nooit iets in Gorazde aangekomen. Zo'n smak geld was voor deze UNMO's een kapitaal. Al na een jaar verblijf in Bosnië konden zij, van het gespaarde geld overgehouden van hun VN salaris plus extra toelages, een huis in eigen land kopen. Een Russische majoor vertelde mij eens dat zijn maandinkomen in die tijd omgerekend in dollars slechts $ 30 was. U begrijpt dat betaling door de VN een goudmijntje was voor oost Europese collega's. Een functie bij UNPROFOR was dan ook zo aantrekkelijk, dat luitenant-kolonels in de rang van majoor als UNMO dienst deden. Dat leidde soms tot een merkwaardige situaties.

 

Uiterst links de "majoor" en in het midden de kapitein.

Gebruikelijk is dat alleen ervaren kapiteins en majoors de functie van waarnemer mogen vervullen. In Sarajevo werd een UNMO groep geleid door een Tsjecho-Slowaakse kapitein (fig») met in zijn team een landgenoot in de rang van majoor. De laatste was eigenlijk in zijn vaderland luitenant-kolonel.

Ook bij de rotatie na mij kwam in Gorazde een Tsjechische "majoor". Op al zijn bagage stond nog zijn oorspronkelijke rang van luitenant-kolonel.

Onze dagtoelage waarvan wij transport kost en inwoning moesten betalen, was voor de voormalige Oostblok landen een riante vergoeding. Daarom namen de militairen genoegen met een tijdelijke verlaging in rang om toch als UNMO'er in aanmerking te komen.

Een van mijn collega's uit Tsjechië, in zijn land een overste, deed ook dienst als UNMO majoor. Hij was uitgezonden als officier van het Tsjecho-Slowaakse leger. Niet veel later zagen wij landgenoten van hem in het uniform van de Tsjechische defensie en voormalige landgenoten in het uniform van de Slowaakse defensie. Dat was de periode dat Tsjecho-Slowakije in twee delen uiteenviel.

Een jonge Tsjechische collega ontmoette op het vliegveld van Sarajevo een kennis en landgenoot die als VN militair diende in het Franse vreemdelingenlegioen. Deze eenheid had op het vliegveld een logistieke taak met magazijnen, eetzaal en keuken.

TWEEDE LOCATIE

 

 

 

 

 

 

 

Zandzakken vullen ter bescherming van een nieuwe en veiliger locatie in een bankgebouw. 

 

 

 

 

 

 

 

Onze tolk («fig) hielp mee met de verhuizing. Inrichten en in gebruik stellen van het tweede "office". Er zijn nog geen zandzakken voor de ramen.

 

 

 

 

Het was ons uiteindelijk gelukt om een iets veiliger onderkomen te vinden in een beschadigd bankgebouw. Desondanks handelde de bank op de begane grond een paar keer per week zijn financiële zaken af. De tweede tevens hoogste etage was behoorlijk vernield en water lekte dan ook door het dak en plafond. Op de eerste verdieping installeerden wij in vijf voormalige bureaus: slaapkamers, vergaderruimte en een "office".

Het nieuwe onderkomen lag wat verder van het centrum. De weg naar het centrum voerde langs een (fig») zijtak van de Drina. In het roodkleurige huis rechts was een kapper gevestigd. Deze foto is door iemand anders gemaakt tijdens een veel latere missie. Dat is te zien aan de witte auto, want zulke voertuigen zag je in mijn periode niet op straat.

 

 

 

Links het tweede office in het bankgebouw met Carlos een Columbiaan on duty. Rechts een Spaanse en Nederlandse waarnemer op de post tijdens een beschieting met granaten. Deze projectielen vlogen op nog geen meter afstand van rechts naar links langs het raam. Nooit gedacht dat je ze kon zien omdat ze zo "langzaam" waren.

Voor de veiligheid had iedereen (fig») zijn helm op en het scherfvest aan. Het duurde even voordat er contact gelegd kon worden met de Servische liaison officier. Hem werd gevraagd waar ze in godsnaam mee bezig waren want de granaten kwamen langs en op ons gebouw terecht. Niet lang daarna verlegde men gelukkig het vuur in onze richting naar een ander deel van de enclave. Er was alleen wat schade op het dak van het gebouw. (van links naar rechts: Portugees, Nederlander, Keniaan en Spanjaard)

 

 

 

De politie («fig) gekleed in een zwart uniform deed dienst in de hal bij de ingang. In het begin op de eerste locatie was het eigenlijk niet altijd duidelijk of zij er voor onze bescherming waren of dat zij ons bewaakten. Er stond daar, buiten voor onze post en 24 uur per dag in weer en wind, steeds een politieman op wacht. Dat was geen pretje want zij kregen weinig te eten of te drinken van hun bazen. Vooral tijdens een nachtdienst moesten zij een verzorging ontberen. Ter compensatie schoven wij zo'n functionaris regelmatig een sigaret, een blikje bier of frisdrank toe of kreeg hij behoorlijk te eten uit onze keuken. Vaak bewaarde een wacht een blikje niet voor zichzelf maar voor zijn familieleden thuis. De politieman hiernaast was een van de mannen die regelmatig bij ons hun plicht deden. Veel van hen waren voor de oorlog niet bij de politie maar later erbij gekomen vanwege de betaling in natura. Het was opvallend dat de politie in de enclave meer te vertellen had dan de krijgsmacht.

 

 De kelder werd eetkamer en "huiskamer". Hier ziet u mijn "farewell party" waarbij mijn opvolger een toespraak hield.

  

Rechts een stoel om af en toe "off duty" van het zonnetje te genieten.

Groepsfoto voor het bankgebouw kort voor mijn terugkeer naar NL: in totaal 11 waarnemers, 1 UNMO staat er niet bij. Door overplaatsing en aflossen bleven er 8 over.

Achterste rij van links naar rechts: Spanjaard Joaquin Milaus del Bosch, Portugees Jose Correia, Keniaan Samson Kambuni,  Colombiaan Carlos Forero en Tsjech Pusan Lupuljev.

Voorste rij: Nederlander Stan van Bragt , Noor ?, Deen Peder Pedersen, Nederlander Frits Geerligs en Keniaan Joseph Mwew.

 

 

 

De staf van de brigade gaf bij mijn vertrek militaire emblemen en een koffiemolen als afscheidscadeau.

De bevolking drinkt koffie van koffiebonen en daarvoor gebruikt men vrij specifieke (messing) koffiemolens. Door het gebrek aan echte koffie werd van alles, onder andere granen, gemixt om een min of meer koffiesmaak te verkrijgen. Een gezin dat van mij na een verlof een pak gemalen koffie kreeg, was enigszins teleurgesteld dat het geen bonen waren.

Kennelijk was de staf van de brigade er achter gekomen dat ik belangstelling had voor zo'n koffiemolen als aandenken want geheel onverwacht kreeg ik dat als afscheidscadeau! Ondanks het gebrek aan metaal en elektriciteit werd dat in een voor mij onbekende werkplaats van roestvrij staal gedraaid en met een inscriptie voorzien.

De stafleden kregen van mij een vergelijkbaar KL82 RVS zakmes.

Tijdens mijn laatste korte verlof in Nederland had ik een paar KL zakmessen geregeld. Samen met mijn eigen zakmes bood ik dat als cadeau voor de stafleden aan. Ik had namelijk gemerkt dat zoiets nog niet tot de standaard uitrusting van de moslim militairen behoorde.

In het blad Achterbanier werd een beschrijving over een lastige UNMO geplaatst: UNMO artikel

DUBROVNIC

 

SARAJEVO

………

MISSIE UNIFIL LIBANON 1982-1983